Pesten op het werk vraagt om een echt gesprek over de menselijke maat

Nationaal aandacht voor pesten op het werk

Vandaag, 1 juni 2015,  begint een nationale campagne tegen pesten op het werk. De cijfers die over pesten op de werkvloer gaan zijn inderdaad alarmerend, getallen worden genoemd van 500.000 werknemers die slachtoffer zijn van pestgedrag .

En bij een nationale campagne is de verleiding groot om ook aan nationale oplossingen te denken, zoals misschien een nationale pest-ombudsman m/v of een nationaal meldpunt. Het op de landelijke agenda zetten van dit onderwerp heeft op mij het effect dat het zo ver van me af komt te staan. Het wordt een algemeen probleem, waar ik instemmend over kan knikken, ja, heel belangrijk. En ik kan dan, net als velen met mij, schande spreken over het feit dat er zoveel  gepest wordt.

Maar zo wordt het niet iets dat me echt raakt. En als het me niet echt raakt, is de kans groot dat  ik me  weinig betrokken voel om de benodigde veranderingen in gedrag aan te gaan. Terwijl het wel belangrijk is dat iedereen zich betrokken voelt bij de sfeer op het werk, en niet dat er alleen in termen van pestdaders en -slachtoffers wordt gedacht.

 Een zaak van dader en slachtoffer of van het hele systeem?

Als mensen zijn we geneigd om te denken in termen van slachtoffers en daders. Ben je slachtoffer of dader, dan is dit heel erg voor je. En pas je niet in 1 van deze 2 rollen;  – 6,5 miljoen werkende mensen blijven buiten schot bij pesten- ,  dan hoef je niks met dit onderwerp. Terwijl er altijd nog een derde rol is, die van omstander, de toeschouwer.  Het merendeel van de medewerkers kunnen het zich permitteren en te oordelen over pestgedrag, zonder dat zij zichzelf in het plaatje meenemen. Zonder zichzelf af te vragen; wat is mijn rol in dit systeem? Welk gedrag vertoon ik? Is mijn gedrag misschien ook kwetsend voor anderen? Ben ik – in sommige gevallen misschien – net zo als die dader? En kan ik, door dit te erkennen, misschien beter reageren op het pestgedrag, en weet ik wat helpt om het te verminderen. Of kom ik er achter dat ik misschien ook wat van het slachtoffer herken? Ga ik misschien over m’n grenzen, want “zo erg is het niet”  en “ze bedoelen het past niet zo, ik moet misschien maar niet laten zien als ik van slag ben”. Of durf ik collega’s niet aan te spreken op ongepast gedrag, omdat ik bang ben om eruit te liggen. En kan ik, door dit te erkennen, misschien beter reageren op het pestgedrag en weet ik wat helpt om dit te verminderen. Wat herkennen we van de dader en van de slachtoffer in onszelf? Of plaatsen we het ‘kwaad’  echt alleen bij die dader en dat slachtoffer?

Iedereen is onderdeel van, en beïnvloedt de werkgemeenschap  

Bij pestgedrag op scholen wordt al gewerkt met het meer betrekken van de omstanders; de kinderen die het pestgedrag zien worden aangespoord om er iets van te zeggen, om zich te mengen en uit te spreken. Dat is wellicht ook een benadering die op de werkplek kan werken. Als het pesten niet direct ervaren wordt (als slachtoffer of als dader (of beiden)), dan kan de toeschouwersrol geactiveerd worden. Als omstander, als collega, weet je misschien best of er gepest wordt, wie en waar. Omdat dit zo ongemakkelijk is om te zien, en al helemaal lastig om te handelen, negeren we het vaak. Wegkijken in plaats van het ongemakkelijke verduren. Door onszelf als onderdeel te zien van het hele systeem, kunnen we zelf ook de verandering zijn die we willen zien bij anderen.

 

Pesten symptoom van een grote probleem; verlies van de menselijk maat

En als we dieper inzoomen op het hele systeem van mens en werk, kunnen we het probleem ook in een grotere context plaatsen. Is er nog plek voor medemenselijkheid op het werk? Of hebben we meer baat bij uitsluiten en isoleren van sommige collega’s.  Misschien is het pesten wel een symptoom van een veel omvangrijker probleem; we zijn de humanisering van het werk uit het oog verloren. Humanisering van het werk is ook geen discussie meer in de gesprekken over arbeid, arbeidsverhoudingen en omstandigheden. Rendementsdenken, het gebruiken van resources staat centraal, zonder oog te hebben voor de uitputting van die resources. Dit geldt voor hoe we omgaan met onze natuurlijke hulpbronnen net zo goed als voor de menselijke.  De menselijke maat is zoek, de werkplek is geen gezonde plek meer, en in een zieke omgeving ontstaan uitwassen zoals ziek gedrag. Zoals mensen zich in een chique omgeving eerder geneigd zijn om zich gepast te gedragen,  en mensen in een zwijnenstal het niet zo nauw nemen met opruimen en hun spullen laten slingeren. Op een plek waar geen aandacht is voor de mens achter de targets en de te behalen rendementen, wordt aandacht afgedwongen. Is het niet op een positieve, dan wel op een negatieve manier.

 

Belonen van collegiaal gedrag in plaats van targets halen

Echte oplossingen liggen volgens mij meer in het menselijker maken van het werk. Wat als we zouden sturen op collegiaal gedrag? De mate waarin iemand zijn of haar collega’s helpt belonen?  Kan naastenliefde een criterium worden in het functioneringsgesprek? Kan een teamoverleg gaan over kwetsbare onderwerpen, onze fouten en gedrag waar we spijt van hebben? Of willen werken op een plek waar we steeds de schone schijn op moeten houden? Met als gevolg een grote kans dat af en toe een topje van de schaduwkant in bedrijven zichtbaar wordt. De ene keer is het dan het pesten, de andere keer zijn het fraudezaken; allemaal uitwassen waar we niet echt naar willen kijken, laat staan willen veranderen. Terwijl, als we deze schaduwkanten echt durven zien, we vervolgens met elkaar kunnen besluiten; we willen het echt anders! De toon waarin we onze werkplek zetten wordt er een van werkplezier, harmonie en balans.